Manuele therapie & kinderen met het Syndroom van Down

Definitie Manuele Therapie:
Syndroom van DownManuele therapie is een specialisatie van fysiotherapie, die zich richt op gezondheidsproblemen in relatie tot stoornissen in de functie van wervelkolom en extremiteiten. Manuele therapie bestaat uit specifieke technieken gericht op het verbeteren van de functionaliteit en mobiliteit van gewrichten.
Manuele therapie bij kinderen kan bestaan uit diverse mobilisatietechnieken. In verband met nog voortgaande ossificatie en groeiprocessen in de wervelkolom van kinderen, wordt aanbevolen bij kinderen van 1 tot en met 12 jaar geen manipulaties uit te voeren.
De effecten van manuele therapie op deze ontwikkelingsprocessen zijn onduidelijk. Er wordt dan ook aanbevolen tevens terughoudend te zijn met manipulaties bij kinderen ouder dan 12 jaar. Er wordt geadviseerd milde mobilisaties toe te passen als behandeltechniek.

Indicaties voor manuele therapie bij kinderen zijn musculoskeletale functiestoornissen waar een (bewegingsgerelateerde) biomechanische oorzaak is vastgelegd of wordt vermoed. Voor kinderen geldt dat in de literatuur uitsluitend rugklachten en hoofdpijn als indicaties zijn vermeld.

Syndroom van Down, symptomatologie, pathologie en anatomie
Bij het het Syndroom van Down moet rekening gehouden worden met laxiteit van het collagene bindweefsel en daarmee het band-kapselapparaat.

Het gevaar zit vooral in de hoog-cervicale wervelkolom in de verbinding tussen C1 en C2, ofwel de atlanto-axiale verbinding. De dens van C2 wordt door het lig. transverso-atlantis verbonden.

Syndroom van Down

Dit ligament kan hypermobiel zijn of zelfs verweken.
Kinderen met Syndroom van Down hebben door de laxiteit van het weefsel kans op instabiliteit van C1-C2.
Andere pathologie met gevaar voor instabiliteit van C1-C2 zijn Reumatoïde Artritis of bij het Syndroom van Grisel-Malgaigne (torticollis nasopharyngealis) kan dit gevaar opleveren.
M. Grisel is een aandoening van het lig. atlantotransversale bij bv. angina, dit kan leiden tot een verdraaiing van de 2e halswervel t.o.v. van de 1e met verplaatsing, die leidt tot scheefstand van het hoofd.

Onderzoekstechniek en behandeling
Een kind met Syndroom van Down komt zelden direct bij de manueel therapeut terecht. Verwijzers zijn de kinderfysiotherapeut of specialist, dit betekent dat er vaak al vooronderzoek is gedaan en pathologieen (deels) zijn uitgesloten.

De reden van verwijzing is vaak een scheefhals (torticollis) en/of gecombineerd met pijn in de nek of een ander wervelkolom probleem.

Wanneer er nog geen beeldvormend onderzoek is gedaan, wordt dit meestal eerst aangevraagd. Het gaat dan om een voorachterwaartse opname van het C0-C3 gebied.
De foto moet door de open mond worden gemaakt om dit gebied goed te kunnen beoordelen. Is er geen passieve instabiliteit of andere pathologieen gevonden dan kan het kind onderzocht worden door een in de behandeling van kinderen gespecialiseerde manueel therapeut.

Na de anamnese en het bekijken van de beschikbare verslagen en beeldmateriaal, wordt een stabiliteitstest gedaan van het atlanto-axiale gebied, dus C1-C2.
Deze hoog cervicale flexiekniktest heeft een acceptabele inter- en intrabetrouwbaarheid bij kinderen met het syndroom van Down.

De mobiliteit van de rest van de CWK wordt nagekeken en ook de rest van de wervelkolom en het bekken. Belangrijk is te zien of er geen scoliose aanwezig is.

Naast de mobiliteit is de actieve stabiliteit essentieel om te testen. De kleine spiertjes langs de wervelkolom naar de schedel worden op aan- en ontspannen onderzocht. Dit hangt overigens wel af de leeftijd van het kind en of het kind begrijpt wat gevraagd wordt.

Informatie
Uit onderzoek van Cremers et al, 2003 naar de risico’s van sportactiviteiten bij kinderen met het Syndroom van Down en atlanto-axiale instabiliteit blijkt dat 10-40 % van de kinderen een atlanto-axiale instabiliteit heeft.
Bij een te grote instabiliteit kan het ruggenmerg in het geding komen.
Wanneer er druk op het ruggenmerg komt heeft dit uitgebreide neurologische gevolgen.
Denk aan hoofdpijn, prikkelingen in handen, het ongecontroleerd bewegen van de benen, enzovoorts. De conclusie is dat er geen reden is om kinderen met het Down Syndroom te verbieden risicovolle bewegingen te maken.

Literatuur

  • Cattrijsse E. et al, Upper Cervical Instability: Are clinical test reliable? The Lancet 1997
  • Cremers M.J.G. et al, Risk of Sports Activities in Children with Down’s Syndrome and Atlantoaxial Instability. Boek 2003
  • Driehuis H. et al, Factsheet Manuele therapie en diagnostische mogelijkheden bij kinderen (1-18 jaar) en factsheet Kinderen diagnose. 2016
  • Siegfried M. et al, Atlantoaxial instability in Individuals with Down Syndrome. Epidemiologic, Radiografic and Clinical Studies. Pediatrics 1987
  • Siderius E. et al, Downsyndroom. Boek 2010
  • Swinkels R. et al, Pathogenesis of Upper Cervical Instability. Boek 1996